Search
  • anneliekejoosten

Waarom 'dierenvrienden' dieren eten

Updated: Jan 16

Dit artikel is verschenen in het herfstnummer van 2021 van Vegan Magazine. https://issuu.com/veganisme/docs/vegan_magazine_nr_130_-_herfst_2021/s/13646998


Je kent het wel: niet-veganisten die zichzelf als grote dierenvriend zien, maar wel dierlijke producten eten. Toen ik bij de dierenambulance werkte, kon ik lastig begrijpen dat mensen overdag verzwakte duiven van de straat plukten en liefdevol verzorgden, maar ’s avonds wel een stukje kip op hun bord hadden liggen. Hoe kan het dat mensen zichzelf een dierenvriend noemen maar wel dieren gebruiken? Ik sprak hierover – en meer! – met twee vegan psychologen, Priya en Mariëlle.


 


Priya Sjambar (33)



  • 10 jaar psycholoog, 3 jaar eigen praktijk

  • GZ-psycholoog, relatietherapeut en yogadocent

  • Werkt vanuit affiniteit met spiritualiteit en oosterse wijsheid


Mariëlle Stel (42)



  • 20 jaar psycholoog

  • Sociaal psychologisch onderzoeker

  • Verschillende specialisaties, huidige is onderzoek naar speciesisme


 

Voor het antwoord op deze vraag moeten we kijken naar onze opvoeding en de menselijke aard. Allereerst hebben heel veel mensen geen idee waar dierlijke producten vandaan komen. Op melkpakken staan blije koeien, en stallen en slachthuizen zijn van buiten potdicht. We geven vlees vaak namen die niet meer te herleiden zijn tot het dier waar het van is, zoals bij frikandel en speklap. Zo hebben mensen een dissociatie tussen wat er op hun bord ligt en het dier waar het van afkomstig is. Daarnaast zijn we als kind veel meer verbonden met dieren, maar krijgen we van onze opvoeders vaak vlees te eten zonder dat erbij verteld wordt dat het een dier is. Als we jaren later wel de link leggen tussen het dier en vlees, dan is het al een gewoonte geworden. Bovendien blijkt uit onderzoek dat mensen het kijken naar filmpjes van slachthuizen vermijden uit angst om geen vlees meer te durven eten.

Sommige mensen ervaren dus geen ongemak bij het eten van vlees door de waarheid uit de weg te gaan. De meeste mensen weten echter wel degelijk dat er leed achter dierlijke producten schuilgaat en ervaren ongemak wanneer ze dierlijke producten gebruiken. Dit fenomeen heet cognitieve dissonantie. Priya legt uit: ‘Cognitieve dissonantie treedt op wanneer wat je denkt en voelt niet op één lijn zit met wat je doet. Je weet dat we dieren geen pijn zouden moeten doen en je voelt je schuldig over het eten van vlees, maar doet het toch.’ Als mensen zich schuldig voelen, zou je denken dat het heel makkelijk is om geen dieren meer te gebruiken. Helaas ligt het niet zo simpel, vertelt Mariëlle: ‘We hebben veel mechanismen om ervoor te zorgen dat we de cognitieve dissonantie niet hoeven te ervaren. Dit zijn indirecte en directe mechanismen. Indirect is bijvoorbeeld wanneer mensen zichzelf ervan overtuigen dat ze maar weinig vlees eten of vlees eten waar dieren niet voor hebben geleden.’ Denk aan biologisch vlees of vlees direct bij de boer vandaan. Ze vervolgt: ‘Daarnaast hebben mensen niet het gevoel dat zij zelf verantwoordelijk zijn en vinden ze dat de overheid wetten moet aanpassen. Naast deze indirecte mechanismen om cognitieve dissonantie te onderdrukken, passen mensen ook directe mechanismen toe. Zo rechtvaardigen ze het eten van vlees met de stelling dat vlees eten natuurlijk, normaal en lekker is. Ook beweren velen dat wij dierlijke eiwitten nodig hebben om gezond te blijven.’

Daarnaast speelt sociale psychologie ook een grote rol, vertelt Priya: ‘Iedereen wil een goed mens zijn. Mensen zien

zichzelf daarom graag als een dierenvriend, want zorgzaam zijn vinden we over het algemeen een goede eigenschap. Mensen willen zich ook graag veilig en verbonden voelen. We zijn groepsdieren en onze sociale kring bepaalt voor een groot gedeelte hoe we naar onszelf kijken en hoe we ons gedragen. Mensen volgen wat hun sociale omgeving doet en maken daarom vaak geen bewuste keuzes. Tegen de stroom in bewegen kan een bedreiging zijn voor het gevoel van veiligheid en verbondenheid.’

Mensen die wel handelen naar hun morele opvattingen, zoals veganisten, zijn bedreigend, merkt Mariëlle op: ‘Iedereen wil zichzelf als goed persoon zien en als iemand anders zich moreel gezien beter gedraagt dan zij, gaan ze zoeken naar manieren om die ander naar beneden te halen. ’Misschien ben je wel eens bevraagd over andere keuzes in je leven, bedoeld om hypocrisie of inconsequentie te spotten. Denk aan dingen als: ‘Gebruik je wel medicijnen waar dierproeven voor gebruikt worden?’ of ‘Als je op een onbewoond eiland zou stranden, zou je dan een kip eten?’ Door jou als hypocriet af te schilderen, voelt de ander zich minder schuldig over hun keuze – jij bent immers ook niet zo perfect als je je in hun ogen doet voorkomen.

Van alle miljoenen diersoorten die op aarde leven, is er maar een handvol diersoorten die op grote schaal gegeten wordt. Waarom eten we de één en knuffelen we de ander? Dit fenomeen, het maken van onderscheid in morele rechten tussen soorten, heet speciesisme. Mariëlle vertelt: ‘Mensen beoordelen dieren op een onrechtvaardige manier en stoppen ze in categorieën. Ze denken bijvoorbeeld dat sommige dieren minder cognitieve mogelijkheden hebben en minder pijn lijden. Zo rechtvaardigen zij het gebruik van deze dieren door de mens.’ Priya voegt hieraan toe: ‘Mensen zijn groepsdieren. Huisdieren zijn deel van onze groep en deze willen we beschermen. Het voelt minder bedreigend voor de overleving van de eigen groep als er iets met die koe verderop gebeurt dan met onze hond.’

Hoe komt het dat sommige mensen wel de link leggen en anderen niet? Priya zegt hierover: ‘Het draait om bewustzijn. Je krijgt iets nieuws voorgeschoteld om te heroverwegen. Hoeveel ruimte heb je daarvoor, wil je jezelf ontwikkelen en een bijdrage leveren in de wereld? Als je gezond door het leven wil gaan, is het belangrijk om in harmonie met jezelf en je opvattingen te leven. Doe je dit niet, dan kan de druk vanbinnen uiteindelijk te groot worden, zodat je uiteindelijk niet meer anders kán dan ernaar handelen. Zitten mensen in een omgeving waarin dat niet de norm is, dan zoeken ze vaak een nieuwe omgeving waarin veganisme wel de norm is.’

Mariëlle voegt hieraan toe: ‘Er bestaat een meting, de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO), die meet in hoeverre mensen streven naar groepsdominantie en ongelijkheid tussen groepen wel of niet oké vinden. Mensen die hoog scoren op deze meting hebben het gevoel dat zij boven alles staan en daarom dieren mogen eten omdat dieren minder zijn dan mensen. Uit onderzoek blijkt dat hoe hoger ze scoren op de SDO, hoe positiever ze staan tegenover het gebruiken van dieren. Wanneer je ervoor controleert hoe lekker ze vlees vinden, blijkt dat deze voorkeur voor het gebruik van dieren niet zozeer gaat over hoe lekker ze vlees vinden, maar dat ze het vooral belangrijk vinden om de dominantienorm uit te blijven voeren. Sommige mensen vinden het dus onbewust belangrijk om een contrast te maken en zich in een groep te plaatsen die beter is dan andere groepen. Als gevolg daarvan zijn ze speciesistisch, dus dat ze dieren minder belangrijk vinden, en als gevolg daarvan kunnen ze de dieren eten omdat ze een rechtvaardiging hebben. De meesten voelen zich dan echter nog steeds slecht over het eten van dieren. Uit onderzoekt blijkt dat 90 procent van mensen bepaalde slachtmethodes onacceptabel vindt. Van die groep mensen vindt slechts 41 procent daarvan het niet oké om vlees te eten van die slachtmethodes.’


Hoe zou je als vegan het beste een gesprek met een niet-vegan hierover kunnen aangaan? Waar beide psychologen het over eens zijn: als mensen op fouten worden gewezen, voelen ze zich al snel aangevallen en schieten dan in verdediging. Op dat moment is er geen goed gesprek meer te voeren, je staat lijnrecht tegenover elkaar. Het beste wat je dus kan doen is, hoe lastig ook, een open gesprek aangaan. De ander informeren en van feiten voorzien. Priya licht toe: ‘Doe beroep op de wens van de ander om een beter mens te zijn. Iedereen is op een ander punt op het pad. Je kan er niet voor zorgen dat iemand sneller op een bepaald punt komt. Het enige wat je kan doen is de reikende hand aanbieden. Er mag ook een acceptatie zijn, ook al is het moeilijk om te dragen. We willen natuurlijk geen leed goedpraten, maar iets accepteren is niet hetzelfde als ermee instemmen. Het is een proces.’


5 views0 comments